Koperwiek

Koperwiek 2017-05-03T20:49:58+00:00

 

Koperwieken zijn echte nomaden die iedere winter in grote zwermen naar het zuiden trekken

De koperwiek (Turdus iliacus) is een kleine lijstersoort, met koperrode flanken en oksels. Koperwieken broeden in de naald- en berkenbossen van Noord-Europa en Azië. In de winter trekken ze in het donker in grote zwermen naar het zuiden. In Nederland zijn het echte wintergasten die, meestal in groepjes, vooral op en nabij bes- en vruchtendragende struiken in parken en tuinen te zien zijn.

Uit terugmeldingen van geringde koperwieken is gebleken dat deze vogels echte nomaden zijn die niet iedere winter terugkeren naar dezelfde gebieden. Zo werden in Engeland geringde exemplaren de achtereenvolgende winters teruggevonden in Turkije, Libanon en Iran.

Koperwieken zijn omnivoren die zich het hele jaar door met insecten, wormen en slakken voeden. In de winter en herfst wordt dit dieet aangevuld met bessen, vruchten en zaden.

De broedperiode van koperwieken verloopt van april tot juni. Ze leggen gemiddeld zes eieren, die na twee weken uitkomen. De jongen vliegen na 15 dagen uit, maar zijn dan nog twee weken afhankelijk van beide ouders. In die tijd leren ze van hun ouders alles wat ze moeten weten om zelfstandig te kunnen overleven.

De Koperwiek als patiënt

In de winter en herfst worden er geregeld koperwieken binnengebracht. De meeste vogels zijn raamslachtoffer geworden en lopen daarbij een hersenschudding op. Na een poosje in een donkere en rustige omgeving zijn deze vogels vaak snel weer opgeknapt en kunnen ze meestal binnen 24 uur weer vrijgelaten worden. Het komt echter ook geregeld voor dat deze raamslachtoffers daar bovenop ook nog eens kattenslachtoffer zijn geworden en dat vergt over het algemeen vaak een langere behandeling en herstelperiode. In het Vogelhospitaal worden ze behandeld aan hun verwondingen en revalideren ze in een zangvogel volière waarna ze, mits ze volledig zijn hersteld, in speciaal hiervoor uitgekozen locatie worden vrijgelaten.