Opgetekend door Chr. F. Keijser, de man die het initiatief nam om de vogels te hulp te komen.

De winter van 1956 was zeer streng. Op sommige plaatsen vroor het 17 dagen achtereen meer dan 10 graden en viel er 20 tot 25 centimeter sneeuw. Keijser: ’Ik besloot met mijn vrouw en dochter een tochtje te maken, maar kwam niet verder dan de pont bij Buitenhuizen, waar ik zoveel doffe vogelellende van honderden vastgevroren meerkoeten, eenden en andere watervogels zag, dat ik geen zin meer had nog verder te gaan.’

Alleen brood strooien had geen zin. Er moest een organisatie worden opgebouwd die in zeer korte tijd een bliksemactie op poten kon zetten. Keijser: ’Het asiel van de Dierenbescherming in de Ridderstraat werd als opvangcentrum in gebruik genomen. Oproepen in de plaatselijke pers, radio en TV brachten ons al spoedig de nodige hulpkrachten en niet te vergeten, voedsel voor de kommerende vogels.’

Rijen automobilisten kwamen zich melden voor het transport van al het voedsel. ’Ploegen werden ingedeeld en voerroutes uitgezet. De één had tot taak voedsel wijd en zijd op te halen, terwijl anderen zorgden voor de vogels. Maar wat wisten wij eigenlijk van de diverse vogelsoorten af? Wat moesten wij ze voeren? Op de inderhaast belegde samenkomst in de Grote Zaal van Brinkmann aan de Grote Markt te Haarlem, kwamen zeer velen luisteren naar de bekende ornitholoog Jan P. Strijbos en naar dr. A.F.J. Portielje, inspecteur van de levende have van Artis. Voor ons leverde dit een eerste financiële bijdrage van f. 35,- op.

historie
volgend verhaal