De afgelopen 30 jaar is het aantal zwarte kraaien in Nederland verdrievoudigd

De zwarte kraai (Corvus corone) behoort tot de familie van de kraaiachtigen en is tevens één van de grotere zangvogels. Ze komen in heel West-Europa en Oost Azië voor. Kraaien vertonen opvallend intelligent gedrag; ze onderhouden een intensieve communicatie en kunnen zelfs primitieve vormen van gereedschap gebruiken om problemen op te lossen.

De afgelopen 30 jaar is het aantal zwarte kraaien in Nederland verdrievoudigd. Zwarte kraaien profiteren van het enorme aantal verkeersslachtoffers langs de Nederlandse wegen. In dichte bosgebieden is het aantal zwarte kraaien veel lager doordat havik en buizerd daar voor een stevige predatiedruk zorgen. Naast aas eten kraaien onder andere wormen, insecten, fruit, zaden, menselijk afval, eieren en jonge vogels.

De meeste kraaien beginnen pas te broeden als ze 3 of 4 jaar oud zijn. Beide partners bouwen aan het grote nest dat gewoonlijk te vinden is in de kroon van grote bomen. Eind maart, begin april worden 2 tot 7 eieren gelegd, die na 17-19 dagen uitkomen. Na 5 weken vliegen de jongen uit waarna ze nog een week of vier gevoerd worden door beide ouders en blijven ook daarna nog maandenlang bij hun ouders.

De kraai als patiënt

De meest volwassen kraaien komen binnen als verkeersslachtoffer of zijn gewond geraakt door territoriale gevechten met soortgenoten. In het Vogelhospitaal worden de kraaien behandeld en na revalidatie in speciaal hiervoor gekozen gebieden weer vrijgelaten.

Jonge kraaien zijn vaak uit het nest gevallen. Afhankelijk van de leeftijd en veerbegroeiing krijgen ze een nestje en warmte aangeboden. Daarnaast wordt er een zo gevarieerd mogelijk menu samengesteld dat we met een pincet aangeven. Naarmate ze zelfstandig beginnen te eten verplaatsen we ze naar een volière waar ze genoeg ruimte hebben om vliegoefeningen te doen. Wanneer ze goed genoeg kunnen vliegen worden ze losgelaten.

Jonge kraaiachtigen zijn erg gevoelig voor inprenting; een proces waarbij de vogel zich op mensen richt en deze als soortgenoot erkent. Dit zorgt voor problemen wanneer de vogel ouder wordt. Deze vogels identificeren mensen als mogelijke partner en kunnen geen band meer aangaan met soortgenoten. Als deze kraaien worden losgelaten zullen ze mensen blijven opzoeken en mogelijk zelfs aanvallen wanneer zij geen reactie terug krijgen. Om inprenting te voorkomen, worden kraaiachtigen in het Vogelhospitaal zo snel mogelijk bij soortgenoten geplaatst en wordt er door de vrijwilligers zo min mogelijk bij gesproken.