Door verandering van het landschap loopt de populatie spreeuwen snel terug

De spreeuw (Sturnus vulgaris) is een luidruchtige zangvogel die van nature in heel Europa en West-Azië voorkomt. Tevens is de spreeuw door de mens geïntroduceerd in verschillende andere delen van de wereld. Spreeuwen zijn trekvogels en de vogels die wij hier in de zomer zien overwinteren zuidelijker. Onze winterspreeuwen bevinden zich in de zomer in hun broedgebieden in het noorden.

Spreeuwen vormen in het najaar en de winter enorme zwermen die gezamenlijk hun spectaculaire vliegkunsten vertonen door als één groot organisme samen te werken. Elke spreeuw in de zwerm houdt 6 tot 7 naburige vogels in de gaten zodat er geen botsingen kunnen plaatsvinden. De spreeuwen vliegen in een zwerm om aanvallen van roofvogels te vermijden. Die raken in de war van zoveel vogels, en kunnen zich dan niet meer op één vogel focussen.

Spreeuwen zijn omnivoor en eten voornamelijk insecten en insectenlarven, in het najaar wordt dit aangevuld met bessen en vruchten.

Spreeuwen zijn holenbroeders die van april tot juni nestelen. Ze leggen gemiddeld vijf eieren die na 12 dagen uitkomen. De jonge spreeuwen vliegen na ongeveer drie weken uit. Ze blijven echter daarna nog wel een tijdje bij de ouders.

In Nederland loopt de populatie spreeuwen sinds de jaren 1990 snel terug. SOVON vogelonderzoek telde vóór 1990 nog 1,3 miljoen exemplaren. In 2008 was dat aantal gedaald tot 600.000. De terugloop wordt geweten aan het verdwijnen van weilanden en de verdroging van het grasland. Hierdoor zijn er te weinig eiwitrijke insecten beschikbaar voor de opgroeiende jongen.

De spreeuw als patiënt

De meeste spreeuwen die bij het Vogelhospitaal binnengebracht worden zijn raamslachtoffer of kattenslachtoffer geworden. Ze worden behandeld aan hun verwondingen en revalideren in een zangvogel volière. In het voorjaar krijgen we ook geregeld jonge spreeuwen binnen. Afhankelijk van de leeftijd en veerbegroeiing krijgen de jongen warmte en een nestje aangeboden. Wanneer de jongen nog niet zelfstandig kunnen eten, voeren we ze elk half uur of elk uur (afhankelijk van leeftijd) met behulp van een pincet. Wanneer de jongen groot genoeg zijn en zelfstandig eten worden ze in een volière geplaatst waar ze kunnen leren vliegen. Wanneer de jongen zelfstandig genoeg zijn worden ze in speciaal hiervoor uitgekozen gebieden weer losgelaten.