Als gevolg van klimaatverandering broeden pimpelmezen net als koolmezen ieder jaar een halve dag vroeger

De pimpelmees (Cyanistes caeruleus) komt voor in loofbossen in gematigde en subarctische delen van Europa en west-Azië. In Nederland komt de pimpelmees het hele jaar voor. In de winter is de populatie echter een stuk groter doordat veel mezen uit Scandinavië in West-Europa overwinteren. Ze vormen in de winter vaak gemengde groepjes met andere vogelsoorten zoals de koolmees.

Pimpelmezen zijn bekend om hun klimvaardigheid, ze hangen vaak aan de uiterste takken om voedsel te zoeken waar grotere zwaardere vogels niet bij kunnen komen. Ze eten in het broedseizoen voornamelijk insecten, maar hierbuiten ook plantaardig voedsel. Daarnaast profiteren ze van de vetbollen en andere voeding die mensen in de winter aanbieden.

Pimpelmezen zijn holenbroeders die ook gretig gebruik maken van nestkastjes. In april worden er gemiddeld 10 eieren gelegd. Na twee weken komen de eieren uit. Tijdens de piektijden worden de jongen elke 90 seconden door de ouders gevoerd. Zestien dagen na het uitkomen verlaten de jongen het nest. Na het uitvliegen, blijven de ouders de jongen nog enige tijd voeden en begeleiden.

De pimpelmees blijkt zich goed te kunnen aanpassen aan de huidige klimaatverandering. Aangezien de pimpelmees afhankelijk is van de hoeveelheid beschikbare insecten, is de timing van het broeden van grote invloed op het broedsucces. Doordat insecten steeds vroeger in het seizoen actief worden, begint het broedseizoen van de pimpelmees ieder jaar gemiddeld een halve dag eerder. In 1986 was dit rond dag 110 (20 april), in 2006 was dat rond dag 100 (10 april).

De pimpelmees als patiënt

De meeste volwassen pimpelmezen komen binnen als kattenslachtoffer of zijn tegen een raam gevlogen. In het Vogelhospitaal worden ze behandeld en na revalidatie in speciaal hiervoor gekozen gebieden weer losgelaten. Jonge pimpelmezen zijn vaak vroegtijdig uit het nest gevallen. Ook wordt er een enkele keer een compleet nest met jongen aangeboden dat door bouwwerkzaamheden verstoord is of waarvan beide ouders slachtoffer zijn geworden van een kat. Afhankelijk van de leeftijd en veerbegroeiing krijgen deze jongen een nestje en warmte aangeboden. Daarnaast wordt er een zo gevarieerd mogelijk menu samengesteld waarvan balletjes voer gedraaid worden die we met een pincet aangeven. Naarmate de mezen zelfstandig beginnen te eten verplaatsen we ze naar een volière waar ze genoeg ruimte hebben om vliegoefeningen te doen. Wanneer ze goed genoeg kunnen vliegen worden ze losgelaten.